Achterstallig loon vorderen van je werkgever
Heeft je werkgever loon of overwerk niet, te laat of niet volledig uitbetaald? Dan heb je een wettelijk recht op betaling, ook als je werkgever zwijgt of alleen uitstel belooft. Een formele sommatie laat precies zien welke wetsartikelen hij overtreedt en wat je van hem vordert.
Zo werkt het
- Jij vertelt je situatie
- Wij stellen het document op
- Wij versturen het namens jou
- De reactie komt bij ons binnen
Een gekwalificeerde jurist beoordeelt je situatie, stelt het document op én verstuurt het namens jou aan de tegenpartij. De reactie komt bij ons binnen — inbegrepen in de vaste prijs.
Wat je krijgt
Een jurist beoordeelt je zaak en stuurt een formele sommatie aan de werkgever om achterstallig loon of niet-uitbetaald overwerk te voldoen, met de wettelijke grondslag.
Past dit bij jouw situatie?
Dit past bij je als…
Deze route past bij jouw situatie als een van deze punten herkenbaar is.
- Je werkgever heeft het loon over een afgelopen periode niet of niet volledig betaald.
- Je hebt overwerk gedraaid dat niet is uitbetaald, terwijl dat wel was afgesproken.
- Je mist loonstroken en wilt duidelijkheid over het verschuldigde bedrag.
- De betaaltermijn is al langer dan een paar dagen verstreken zonder duidelijke reden.
Dit is niet de juiste stap als…
Deze route is niet de juiste stap in deze situaties.
- Je bent net ontslagen en wilt vooral dat ontslag aanvechten, want daarvoor geldt een vervaltermijn van twee maanden die niet kan worden gestuit (art. 7:686a lid 4 BW).
- Je werkgever is failliet verklaard, want dan loopt je loonvordering via de curator en het UWV, niet via een sommatie.
- Je vordering is ouder dan vijf jaar en is nooit gestuit door een aanmaning of andere actie (art. 3:308 BW).
- Je twijfelt vooral over de hoogte van je loon door onduidelijke afspraken, terwijl er geen betalingsachterstand is; dan is eerst overleg met je werkgever verstandiger.
Juridische onderbouwing
Wettelijke grond
Je werkgever moet je loon op het afgesproken moment betalen; dat is de kernverplichting waarop een loonvordering rust (art. 7:616 BW).
Wanneer dat moment precies valt, hangt af van het loontijdvak. Je werkgever moet uitbetalen na afloop van een periode van minimaal een week en maximaal een maand. Bij schriftelijke afspraak kan die periode worden verlengd tot een maand of een kwartaal (art. 7:623 BW).
Betaalt je werkgever niet op tijd, en is dat aan hem toe te rekenen, dan kun je vanaf de derde werkdag na de uiterste betaaldag aanspraak maken op een wettelijke verhoging (art. 7:625 BW). Die verhoging bedraagt vijf procent per dag voor de vierde tot en met de achtste werkdag en daarna een procent per werkdag, tot een maximum van de helft van het verschuldigde.
De rechter mag deze verhoging beperken tot wat hem billijk voorkomt, en dat gebeurt in de praktijk regelmatig. Van de regeling zelf mag niet ten nadele van jou worden afgeweken.
Naast die verhoging loopt er wettelijke rente over het bedrag zolang je werkgever in verzuim is, en die rente telt jaarlijks bij de hoofdsom op (art. 6:119 BW).
Je werkgever moet je bovendien bij elke loonbetaling een schriftelijke of elektronische loonopgave geven, zodat je kunt controleren of het juiste bedrag is uitbetaald (art. 7:626 BW). Ontbreekt die opgave, dan is dat op zichzelf al een tekortkoming, en wordt het lastiger om de hoogte van je vordering te onderbouwen.
Je recht om achterstallig loon te vorderen verjaart niet snel: dat gebeurt pas vijf jaar na de dag waarop de betaling opeisbaar werd (art. 3:308 BW). Die verjaringstermijn kun je stuiten met een schriftelijke aanmaning waarin je uitdrukkelijk je recht op betaling voorbehoudt.
Termijn
De belangrijkste termijn is die van de verjaring: je kunt achterstallig loon vorderen tot vijf jaar na de dag waarop de betaling opeisbaar werd (art. 3:308 BW). Een schriftelijke aanmaning waarin je je recht op betaling voorbehoudt, stuit die verjaring, waarna de termijn opnieuw begint te lopen.
Daarnaast telt de derde werkdag na de uiterste betaaldag als omslagpunt. Is je loon dan nog niet betaald en is dat aan je werkgever toe te rekenen, dan ontstaat aanspraak op de wettelijke verhoging (art. 7:625 BW).
Juridische grondslag
Veelgestelde vragen
Moet mijn werkgever zowel wettelijke rente als de wettelijke verhoging betalen?
Dat kan naast elkaar bestaan. De wettelijke verhoging is een aparte prikkel tegen te late betaling (art. 7:625 BW). Wettelijke rente loopt daarnaast over de tijd dat je werkgever in verzuim is (art. 6:119 BW). Het zijn dus twee verschillende aanspraken. Let wel op: de rechter mag de wettelijke verhoging matigen tot wat hem billijk voorkomt, dus je kunt er niet zonder meer van uitgaan dat je het volledige percentage krijgt toegewezen.
Hoelang heb ik om achterstallig loon te vorderen?
Je kunt achterstallig loon vorderen tot vijf jaar na de dag waarop de betaling opeisbaar werd (art. 3:308 BW). Stuur je binnen die periode een schriftelijke aanmaning waarin je je recht op betaling voorbehoudt, dan begint de termijn van vijf jaar opnieuw te lopen. Wacht je te lang zonder die vordering ooit schriftelijk kenbaar te maken, dan loop je het risico dat je recht op betaling verjaart.
Wat kan ik doen als ik geen loonstrook heb ontvangen?
Je werkgever moet je bij elke loonbetaling een schriftelijke of elektronische loonopgave geven (art. 7:626 BW). Ontvang je die niet, dan schiet hij ook op dat punt tekort. Praktisch is het wel lastiger: zonder loonstrook is de hoogte van je vordering moeilijker te onderbouwen. Verzamel daarom andere bewijsstukken, zoals eerdere loonstroken, je arbeidsovereenkomst of e-mails over gewerkte uren.
Is de wettelijke verhoging altijd vijf procent per dag?
Nee. De vijf procent per dag geldt alleen voor de vierde tot en met de achtste werkdag na de uiterste betaaldag. Daarna loopt de verhoging op met een procent per werkdag, tot een maximum van de helft van het verschuldigde (art. 7:625 BW). Bovendien mag de rechter dit bedrag beperken tot wat hem billijk voorkomt, wat in de praktijk regelmatig gebeurt.
Mag mijn werkgever de betaaltermijn van mijn loon zomaar verlengen?
Niet zomaar. Het loontijdvak waarna moet worden uitbetaald, is normaal minimaal een week en maximaal een maand. Alleen bij schriftelijke afspraak mag dat worden verlengd, tot een maand als het berekeningstijdvak een week of korter is, of tot een kwartaal als het een maand of langer is (art. 7:623 BW). Zonder zo'n schriftelijke afspraak geldt de kortere termijn.